Slag bij Ane herleeft

 

Slag bij Ane

Slag bij Ane door Frederik Zurcher


Het was een warme julidag in het jaar 1227. De hitte hing als een muur tegen een paar hutten in het buurtschap Ane. Janna ter Steege zat met de rug tegen een zwerfsteen welke voor de hut stond waarin al generaties van haar familie waren opgegroeid. Vlakbij lag de Mommeryte, een veengebied waarin door de hitte de muggen welig tierden. Velen waren al verdronken in het veen en de wolken muggen maakten het leven in het buurtschap Ane op warme zomerdagen als deze tot een hel. Janna had daarom een groot takkenvuur ontstoken en de rook hiervan hield de stekende muggen gelukkig wat op een afstand. Het vuur produceerde echter ook hitte en het zweet stond haar daarom op het voorhoofd.

Janna dacht na, daar had zij alle tijd voor. Ze wachtte op het water in de grote ketel boven het vuur dat aan de kook moest komen voor de aardappels. Haar mannen, echtgenoot Jan en haar zoons Pieter en Frederik waren op het land aan het werk. Ze waren vanmorgen opgeroepen door Rudolf, de kastelein van Coevorden. Die had weer eens mot met andere hoge heren. Trammelant met de burggraaf van Groningen en de bisschop van Utrecht, Otto van der Lippe.

Morgen werden de hoge heren uit Utrecht en Groningen verwacht om de strijd met Rudolf van Coevorden aan te gaan. Het Drentse leger was zich aan het verzamelen en morgenvroeg in de ochtendstond moesten ze zich melden. Daar kwamen de mannen al aan. Ze waren aangeroepen op het veld en moesten er aanstonds vandoor. Rudolf was gearriveerd en had besloten de Bisschop en zijn manschappen nabij de Mommeryte op te wachten. Na wat slokken water en een paar happen brood gingen haar mannen het gevaar tegemoet. Met de zeis, de schoffel en de hooivork in de hand moesten zij de ridders terzijde staan. Het was een

De volgende dag nam de strijd een aanvang. De Drenten stond op het weke grasland van de Mommeryte met slechts een lichte uitrusting en maar weinig geoefende mannen. Nee, dan het leger van de bisschop, met veel machtsvertoon, trommels, trompetten en vaandels en banieren kwamen zij aangestapt en voorwaarts ging het, de vijand tegemoet. De Drenten wachtten rustig af. Zij kenden het gevaar van hun Mommeryte en bleven op hun plek. Het bisschoppelijke leger snelde nader maar wat was dat? De paarden en hun berijders verminderden opeens vaart, waren ze soms bang geworden? Rudolf, de sluwe vos, had zijn vijand in een val gelokt. De velden van de Mommeryte konden maar weinig gewicht dragen. Een man met lichte uitrusting ging net maar een zwaar geharnaste ridder te paard was teveel voor de weke grond en zij week uiteen en slokte de benen van de paarden op. Hier had Rudolf op gewacht en hij zette de aanval in. De vijand kon geen kant op en de eerste slag was in ieder geval voor hem. De Drenten maakten goed gebruik van de verwarring en hakten erop los. Het bisschoppelijke leger sloeg op de vlucht maar er was geen ontkomen aan. De Drenten met hun lichte uitrusting waren sneller en beweeglijker en zonken niet weg in het moeras door hun lichte uitrusting. De Drenten kenden geen genade en als het aan de manschappen had gelegen was er geen enkele man van het bisschoppelijk leger levend van het slagveld gekomen. Rudolf wist nog enkele heren gevangen te nemen maar de bisschop was verdwenen. Na lang zoeken vond men hem. Hij was gescalpeerd en had de strijd niet overleefd.

Jantien ter Steege zat op een bankje bij de zwerfkei in Ane. De zon scheen tussen de takken door en zij voelde de avondzon op haar hoofd. Het was een warme dag geweest. Zij was moe van het lopen en zoeken. Haar zoon, Gerard had op zijn negende verjaardag van zijn oom Jan een metaaldetector gekregen en hoewel zij hem uitdrukkelijk verboden had verder dan het eind van de straat te gaan, was ze hem de hele middag al kwijt. Eerst had zij zich nog niet zo druk gemaakt maar toen hij bij het eten nog niet thuis was gekomen en bij navraag niemand hem gezien had, begon zij zich ernstig zorgen te maken. De zon ging onder en een koude avondwind daalde op haar neer. Ze stond op en liep naar huis. Ze ging nog maar eens even het dorp rond. Voor de zoveelste keer vandaag. Als er maar niets gebeurd was. Ze besloot het Anerveen in te gaan. Misschien was hij op een akker aan het struinen. De koude wind waaide onder haar jas en de rillingen liep haar over het lijf. Zou het de kou zijn of was het de bezorgdheid? In de verte zag zij een stipje op een akker. Was dat Gerard? Ja, ze zag het aan zijn houding, hij liep voorovergebogen met de koptelefoon op, de detector voor zich uitsturend over de akker. Ze riep, hij hoorde niets, Ze riep nogmaals, hij keek niet op of om. Pas toen ze vlakbij was zag hij haar schaduw en keek op. Hij keek haar aan, greep in zijn zak en liet een halve hoefijzer en een afgebroken stuk staal zien. “Kijk mam, van de slag bij Ane, een zwaard en een hoefijzer.” Opeens herinnerde zij zich zijn plotselinge belangstelling voor geschiedenis en de verhalen van zijn oom over de geschiedenis van Ane waarbij hij aan de lippen van zijn oom Jan had gehangen. Ze had er toen geen acht op geslagen. Gerard had nogal veel fantasie en vond dergelijke ridderverhalen prachtig. Geen moment had zij erbij stil gestaan dat hij die middag de slag bij Ane herleefd had en nooit meer aan de tijd had gedacht.



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.